Een uilenbeker
Archeoloog Wim Tiri werkt als vrijwilliger in ons onroerenderfgoeddepot. In de reeks ‘Ondergrondse geheimen’ deelt hij zijn grote en kleine ontdekkingen.
'Als alle ander fogels sin thoe neste sois min flige beste'
Enkele weken geleden werden de archeologische vondsten (lees dozen met scherven) – gedaan bij de renovatie van enkele woningen in het begijnhof van Hoogstraten – overgebracht naar het depot van Erfgoed Noorderkempen in Turnhout. Daar zullen de scherven gepuzzeld worden, eventueel verlijmd tot tentoonstellingswaardige objecten, geïnventariseerd en gepubliceerd. Bij een eerste controle vielen mij twee scherven versierd met een verenpatroon die ik meteen herkende als fragmenten van een uilenbeker. Het verhaal dat hier volgt is zowel boeiend als bijzonder…
Uilenbekers zijn drinkbekers in de vorm van een uil en waren van het midden tot de tweede helft van de 16de eeuw bijzonder populair in de Nederlanden en in Duitsland. Ze hebben steeds een afneembare kop, waaruit, net zoals uit de romp van de vogel, kon worden gedronken. Er zijn uitvoeringen gekend in aardewerk maar vooral uit zilver en/of een kokosnoot. Vaak werden deze zilveren bekers als eregift voor onder meer militairen en verdienstelijke ambtenaren of als trofee bij schutterswedstrijden cadeau gegeven. Bekers uit aardewerk waren goedkoper maar vooral ook breekbaarder waardoor er hiervan slechts enkele bewaard zijn gebleven. Vreemd is wel dat ook bij opgravingen weinig uilenbekers (of fragmenten ervan) gevonden worden, of de fragmenten worden niet als dusdanig herkend. Uilenbekers zijn dus een zeldzaamheid.
Bekers in zilver en/of kokosnoot waren verzamelobjecten maar werden, net als deze uit aardewerk en glas, gebruikt bij braspartijen want de uil geldt – naast wijsheid – ook als symbool voor de mateloosheid, de gulzigheid en vooral van de drankzucht. Uilen eten hun prooien (zoals vogels en knaagdieren) volledig op, waarna de onverteerde botjes en haren uitgebraakt worden. En dit braken is dan ook maar een kleine stap naar de mens, wanneer deze te diep in het glas heeft gekeken.
Vaak staan op zilveren uilenbekers teksten die tot drinken aanzetten, verwijzingen naar vriendschap of liefdesgedichten. Zo staat er bijvoorbeeld onder de liprand van een Antwerpse uilenbeker, verborgen onder de afneembare kop van het uiltje, een Oud-Nederlands vers gegraveerd: ‘Als alle ander fogels sin thoe neste sois min flige beste’. Het kan worden vertaald als: ‘Liggen alle andere vogels in hun nest, dan vlieg ik het best’. Deze figuurlijke uitspraak suggereert dat je het beste kunt handelen of de meeste kans op succes hebt als je wacht tot anderen hun kans verkeken hebben of klaar zijn met hun acties. Het is een manier om te zeggen: wacht tot de tijd rijp is en de situatie gunstig is voor jou. Het versje is een deel van een lied uit de 13de eeuw met de geschiedenis van de liefde van de uil voor de nachtegaal.
Er zijn ook heel wat variaties of objecten waarin uilenbekers verwerkt zijn, zoals een vuurstolp (met op de zijkant een applique van een uilenbeker) uit de opgraving Baanpad – Alkmaar (1605) of een zeldzame ringvaas (met drie bekers in de vorm van uilen) uit de opgraving Eikberg – Bavel (Breda, eerste helft 17de eeuw).
De uilenbeker van Hoogstraten
De twee scherven uit het begijnhof van Hoogstraten zijn afkomstig van een uilenbeker in zoutgeglazuurd steengoed met opgelegde reliëfappliques vermoedelijk gemaakt in Keulen. Als datering kan het tweede kwart van de 16de eeuw naar voor geschoven worden, en zeker vóór 1559 wanneer het begijnhof door brand is verwoest. Hoe de volledige beker er heeft uitgezien is het best voor te stellen met deze de uilenbeker in het KSM in Keulen (afb. 4).
De volledige uilenbeker bestond uit twee delen: een afneembare kop (die niet teruggevonden is) en een beker in de vorm van een uilenlichaam waarvan enerzijds een fragment van de onderzijde rechts (met nog een deel van de poot en de vleugel) en anderzijds een schouderfragment (met de aanzet van een klein oortje) bewaard is gebleven. De veertjes op de schouder lopen verticaal en zijn in schubben gerangschikt; de slagpennen van de vleugels zijn met een rolstempel met visgraatmotief gemaakt.
Kenmerkend voor steengoed is de zeer harde bakking, waarbij de klei ‘sintert’ of verglaast en daardoor waterdicht wordt. Hierbij diende er een oventemperatuur bereikt te worden van 1200 à 1300°C. Klei die deze hoge baktemperaturen aankon, was te vinden in het Rijnland en in het Westerwald. Een ander kenmerk van steengoed is dat de meeste voorwerpen voorzien zijn van een zoutglazuurlaag. Dit glazuur werd bekomen door zout in de oven te werpen, waar het onder invloed met het oppervlak van het steengoed reageerde en het met een glazige zoutglazuurlaag bedekte. Terwijl de oudste voorwerpen in steengoed eerder functioneel waren, worden ze gaandeweg van eenvoudig tot overdadig versierd en komt er in de 17 de eeuw zelfs kleur aan te pas.
De uilenbekers uit het Rijnland (Keulen, Raeren en Siegburg) hebben duidelijke overeenkomsten met deze gemaakt in faience. Belangrijke productiecentra waren te vinden in het noorden van Italië (zoals in Bolzano) en in Zuid-Duitsland (waar recente vondsten hebben aangetoond dat er ook in Augsburg uilenbekers gemaakt werden). Deze laatste pottenbakkerscentra waren voornamelijk gespecialiseerd in tegelkachels, de uilenbekers waren hen eerder een bijproduct dat dateert uit het 2de kwart van de 16de eeuw.
De in steengoed gemaakte uilenbekers dateren uit de jaren ’30 van de 16de eeuw en hebben een mooi en gedetailleerd verenkleed. De latere bekers, uit het begin van de 17de eeuw, lijken eerder op een karikatuur van de uil en hebben veel van hun schoonheid verloren.
De vraag blijft natuurlijk, wat doet een uilenbeker in een afvalcontext van een begijnhof? Want deze werden gebruikt bij drankspelletjes en dat is toch niet meteen iets waar een begijntje aan zal deelgenomen hebben. Of was deze beker toch een pronkbeker en had deze een mooie plaats in het begijnenhuisje? We zullen het helaas nooit te weten komen. Maar het blijft wel een bijzondere vondst.
In de volgende blogs worden nog enkele leuke vondsten (uit dezelfde afvalcontext als de uilenbeker) toegelicht.
Info bij de afbeeldingen:
-
Afb. 1: Jan Van Kessel I, Vogelconcert (detail), 17de eeuw (Antwerpen, KMSKA, inv.nr. 428)
-
Afb. 2 en 3: Twee fragmenten van een uilenbeker (links de achterzijde met het verenkleed en rechts de onderzijde met een deel van de afhangende rechtervleugel en -poot), steengoed, zoutglazuur, Keulen (Collectie Stedelijk Museum Hoogstraten, afvalcontext Begijnhof nr. 26)
-
Afb. 4: Uilenbeker, steengoed, zoutglazuur, Keulen, 3de kwart 16de eeuw (Köln, KSM, inv.nr. 1996/745)
-
Afb. 5: Uilenbeker, steengoed, zoutglazuur, Keulen, eerste helft 16de eeuw (Leiden, opgraving Haarlemmerstraat, vondstnr. 845.60)
-
Afb. 6: Uilenbeker, aardewerk, loodglazuur, ca. 1600 (Rotterdam, Museum Boijmans, inv.nr. F 8474 a-b (KN&V))
-
Afb. 7: Uilenbeker, majolica, tinglazuur en kobaltblauwbeschildering, begin 17de eeuw (Bergen op Zoom, opgraving Paradegebied)
-
Afb. 8: Uilenbeker, kokosnoot en (verguld) zilver, Antwerpen, 1548-1549 (Koning Boudewijnstichting, langdurige bruikleen aan DIVA, Antwerpen)
-
Afb. 9: Uilenbeker, Steengoed, zoutglazuur, Siegburg, 17de eeuw (?) (London, The British Museum, inv.nr. 1887,0211.7 – Foto: © The Trustees of the British Museum)
Geraadpleegde bronnen:
-
Hans Devisscher, Het Antwerps uiltje (uitgave Koning Boudewijnstichting), 2003
-
Rudolf Schaaf, Das Antwerpener Käuzchen und der Kauzen von Ochsenfurt, uit: Kausbrief 34, 2022, p. 18 – 25
-
Elisabeth de Net MA, Bavel Eikberg Gilzeweg. Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven, opgraving en begeleiding, (Erfgoedrapport Breda 257), 2019
-
Werner Endres, Zu einigen vogelgestaltigen Keramikformen des 16.Jahrhunderts, uit: Verhandlungen des Historischen Vereins für Oberpfalz und Regensburg 121, Regensburg 1981, p. 475 – 487
-
Michaela Hermann, Seltene Vögel? Ein neu gefundener Eulenpokal aus Augsburg, uit: Historische Archäologie 2017 (Festschrift für Andreas Heege), p. 205 – 216
-
Karl-August Wirth, Eulengefäß, Uit: RDK (Reallexikon zur Deutschen Kunstgeschichte), VI, p. 322 – 340