Een rammelbol uit Andenne
Archeoloog Wim Tiri werkt als vrijwilliger in ons onroerenderfgoeddepot. In de reeks ‘Ondergrondse geheimen’ deelt hij zijn grote en kleine ontdekkingen.
ram·me·laar (de; m; meervoud: rammelaars) - speelgoed voor baby's (Van Dale woordenboek)
Op 23, 24 en 25 mei zijn er weer de archeologiedagen die dit jaar in het teken staan van ‘sport en spel’. In aanloop hiervan zetten we met ‘Ondergrondse Geheimen’ de komende weken enkele speelgoedjes uit enkele opgravingen uit de Turnhoutse binnenstad in de kijker. Deze speeltjes zullen trouwens vanaf 15 mei ook te zien zijn op de minitentoonstelling ‘500 jaar speelgoed’ die zal te zien zijn in de bibliotheek van Turnhout. Uit de oude Taxandriacollectie komt een deels bewaarde rammelaar of rammelbol.
Jozef Weyns (oud conservator van het Openluchtmuseum Bokrijk) schreef in zijn naslagwerk ‘Volkshuisraad in Vlaanderen’ over de rammelaar: “… Ik ga ook de ratel of rammelaar – rammeltje te Herentals, sammel te Heist-op-den-Berg – niet gaarne stilzwijgend voorbij, omdat ik een goed voorbeeld, een silvere kinderbelle (1674), uit de boedellijsten optekende, en omdat het over de wereld bekend is als kinderspeeltuig en muziekinstrument. Aarden, peervormige rammelaars werden omstreeks 1225 te Schinveld (Ned. Limburg) gebakken; ze werden voorzien van drie grintkeitjes. …”
En inderdaad, rammelaars komen overal ter wereld voor. De precieze oorsprong van de rammelaar is onbekend. Wel lijkt er een wijdverspreide overeenkomst te zijn in de functie van het object, namelijk het gebruik van de rammelaar als cultusinstrument in het geloof of bijgeloof. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de oudste exemplaren uit de prehistorie stammen.
De oudste exemplaren uit onze streken – de rammelbollen – werden gemaakt van aardewerk, zijn bolvormig en haast altijd voorzien van een kort, onderaan afgeplat, steeltje. In de bolvormige kop zaten één of meer steentjes (of kleibolletjes), die rammelden als de bol werd bewogen. Om de klankweergave te verbeteren werd er bovenin de bol een kleine gleuf of ronde opening gemaakt. De gevonden rammelaars waren betrekkelijk klein; de maximale diameter van de bol bedraagt 5 à 6 cm en de totale lengte zo’n 8 cm.
Rammelaars zijn vooral bekend van pottenbakkerscentra als Pingsdorf (waar ze al vanaf de vroegste periode (rond 1050) voorkomen) en Andenne. Deze rammelaars in witbakkend aardewerk werden vaak door lokale pottenbakkers in roodbakkend aardewerk nagemaakt. In Vlaanderen (en de Nederlanden) worden bij opgravingen vaak (fragmenten van) rammelaars gevonden. Gelijkaardige vondsten als de rammelaar in de collectie van Erfgoed Noorderkempen zijn onder meer bekend uit Antwerpen, Gent, Aalst en Oud-Turnhout en zijn te dateren tussen de 12de en de 14de eeuw.
Vanaf de 15de eeuw zijn er ook metalen exemplaren al worden deze tijdens opgravingen minder vaak gevonden dan die van keramiek.
Uit de late 16de eeuw tot de 18de eeuw zijn er – naast de eenvoudige rammelaars – de luxueuze gouden of zilveren rinkelbellen met bijtstukken van bergkristal, koraal of wolfstand. Daarop kon worden gekauwd bij tandpijn, maar deze kostbare materialen werden ook andere krachten toegekend: het kwaad afzweren. Op het einde van de 18de eeuw wordt de vorm van de rammelaars steeds meer gevarieerd. Met de komst van plastic ontwikkelde de rammelaar zich tot zijn huidige vormen.
In Andenne, een stadje in de Belgische Maasvallei, werd aardewerk gemaakt van hoogwaardige witbakkende klei dat bekend staat als de blanche derle-klei. Deze werd door René Borremans en willy Lassance in hun studie uit 1956 omschreven als ‘La blanche derle qui se tire au ban dudict Andenne est la meilleure de toutes celles qui se tirent Ie long de la Meuse entre Huy et Namur, même la meilleure de toutes les blanches derles du pays et qu’elle est recherchée tant parmi les marchands de Hollande, Liège, que Maestricht; elle est renommée pour bi en cuire’.
Naast Andenne is dit witbakkend aardewerk echter ook bekend van andere productieplaatsen in de Midden-Maasvallei, waaronder Hoei (met productieafval uit de 10de en vroeg 11de eeuw), Wierde (waar eind jaren ’60 zeven ovens zijn opgegraven, daterend uit de 12de of 13de eeuw), Namen (datering 13de eeuw) en Amay (datering laatste kwart 13de – eerste helft 14de eeuw). Omdat er tussen de verschillende pottenbakkerscentra onderling zo weinig grote verschillen zijn, wordt dit witbakkend aardewerk dan ook omschreven als Maaslands wit. Het hoogtepunt van het dit witbakkende aardewerk lag in de 12de eeuw. In de loop van de 14de eeuw liep de productie ten einde toen er een nieuwe manier van glazuren werd toegepast om de potwand waterdicht te maken.
Het verspreidingsgebied van het Maaslands aardewerk beperkte zich tot het rivierengebied en langs de Noordzeekust (zowel in Nederland, België als Engeland). Tot de voornaamste vormen van de vroegste productiefase behoren kogelpotten, tuitpotten en kruiken met kenmerkend het spaarzaam aangebrachte, geelkleurige loodglazuur op de schouder en de manchetvormige rand. De potten hadden vaak radstempelversiering op de schouder, kruiken hadden dan weer een barbotineversiering (een decoratie bestaande uit fijne, opgelegde reliëfbandjes in klei met een driehoekige doorsnede). In de latere productie overheersen vooral kruiken en kommen.
Het belangrijkste overzicht van de vormenrijkdom en een aanzet tot een fasering is te vinden in de publicatie van Borremans en Warginaire uit 1966. Een latere aanzet voor een typologie en fasering is in 1988 gegeven door Theuws, Verhoeven & Van Regteren Altena aan de hand van het materiaal uit Dommelen (Nl).
Info bij de afbeeldingen:
-
Afb. 1: Rammelaar in witbakkend aardewerk, sporadisch loodglazuur. Andenne, 2de kwart 13de – 2de helft 14de eeuw (Depot Erfgoed Noorderkempen, inv.nr. T03516). Bovenaan de is een kleine ronde opening te zien, gemaakt om een betere klankweergave te hebben.
-
Afb. 2: Rammelaar in witbakkend aardewerk, 11de-13de eeuw, Andenne (ovenvondst) (Collectie Le Phare – Espace Muséal, Andenne, inv.nr. MCA.3448)
-
Afb. 3: Rammelaar in wittebakkend aardewerk, omstreeks 1400. H. 8.4 cm, diam. 5.5 cm. (Collectie Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam, inv.nr. F 537 (KN&V))
Foto midden: Rammelaar in witbakkend aardewerk, sporadisch loodglazuur. Andenne, 2de kwart 13de – 2de helft 14de eeuw (Depot Erfgoed Noorderkempen, inv.nr. T03516)
Foto boven: Rammelaar uit Andenne (uit: René Borremans & Richard Warginaire, La céramique d’Andenne. Recherches de 1956-1965, Rotterdam, 1966, p. 48-49.
Geraadpleegde bronnen:
-
Michiel Bartels, Steden in scherven, Vondsten uit beerputten in Deventer, Dordrecht, Nijmegen en Tiel (1250-1900), Zwolle/Amersfoort (2 dln.).
-
Jozef Wyns, Volkshuisraad in Vlaanderen, Beerzel, 1974, deel 2, hoofdstuk V: Kindergerief, p. 399.
-
René Borremans & willy Lassance, Recherches archéologiques sur la céramique d’Andenne au Moyen Âge, Brussel, 1956.
-
René Borremans & Richard Warginaire, La céramique d’Andenne. Recherches de 1956-1965, Rotterdam (Stichting ‘Het Nederlandse Gebruiksvoorwerp’), 1966.
-
Frans Theuws, A. Verhoeven & H.H. van Regteren Altena, Medieval settlement at Dommelen. Parts I and II, in: Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 38, 1988 p. 229-430.
Margot Vander Cruyssen, Piotr Pawelczak, Christine Swaelens, Olivier Van Remoorter, Carola Stern en Jeroen Verrijck, Oud-Turnhout, Albert Sohiestraat, Archeologische opgraving (BAAC Vlaanderen Rapport Nr. 1414), Gent, 2021.